We zitten tegenover elkaar in stilte. Zo'n aanhoudende geluidloosheid waarvan je niet zeker weet of de ander de leegte wel apprecieert. Ik tuur door het raam. Vanuit zijn kamer in het rusthuis heeft hij zicht op voetbalterreinen, er is een klas aan het sjotten nu. In mijn ooghoek zie ik hem de bal volgen. Ik zet me nog wat gemakkelijker. Ons kwartier is nog maar net begonnen.

Toen ik tijdens mijn eerste toer in het rusthuis bij hem langsging, voelde ik me best ongemakkelijk. De kamer was stil. Enkel de geluiden van de gang kwamen zachtjes binnen. Er hingen familiefoto's aan de muur, maar zijn blik ontweek die zoveel mogelijk. De opengeklapte laptop vergaarde stof. Zijn antwoorden op mijn vragen formuleerde hij met zo weinig mogelijk lettergrepen. Ik had het gevoel dat ik hem stoorde in het nietsdoen. In een poging hem tegemoet te komen, hield ik mijn bezoekjes zo sec en kort mogelijk.

Tot die ene keer dat de verpleging me opbelde met de vraag of ik niet wat vroeger dan vastgelegd op huisbezoek kon komen: hij had uitdrukkelijk naar mij gevraagd. Zijn rug was bezaaid met uitgebreide zonaletsels, in de volksmond bekend als gordelroos. Bovenop deze virale aandoening had zich ook nog eens een bacteriële infectie genesteld. Ik trof hem in een gekwelde toestand aan. Tijdens mijn klinisch onderzoek was zijn allereerste vraag: hoe lang houdt deze pijn nog aan, dokter?

Zijn gelaten voorkomen maakte het niet gemakkelijk om mijn boodschap te brengen. Geruststellen was immers niet aan de orde. Ik kon hem enkel informeren over het waarschijnlijke beloop. Zo verwachtte ik dat de zonablaasjes eerst zouden uitdrogen en daarna verdwijnen. Helaas betekent dat op zijn leeftijd niet dat de klachten meteen verminderen. Hoe ouder je bent, hoe meer kans je hebt dat de pijn nog een tijd blijft nazinderen.

Bij die boodschap was het weer even stil. Er kwam een vermoeide zucht: wat nu, dokter? Bij mijn voorstel om hem op zeer regelmatige basis te bezoeken, zodat ik het ingestelde pijnbeleid snel kon schakelen indien nodig, klonk weer een zucht. Van opluchting? Instemmend, alvast.

En zo ontdooiden stilaan onze contacten. Woorden waren nog steeds zeldzaam, maar hij gaf me meer ruimte. Wanneer ik polste naar zijn gemoedstoestand, knikte hij naar de foto's aan de muur of wees hij naar de openstaande laptop. Tussen het opdrijven van de pijnstilling door, werd het me duidelijk dat hij standby bleef. Stilzwijgend hopend op een skypegesprek van zijn enige zoon, die naar Thaïland geëmigreerd was. Zijn geplande bezoek werd door corona steeds weer uitgesteld. Hoe langer het duurde, hoe stiller hij werd. En hoe langer ik besloot te blijven.

Sindsdien zet ik me steevast even neer in zijn kamer. En hoewel hij nog steeds met zo weinig mogelijk woorden praat, vraagt hij nadien steevast: wanneer zie ik u weer, dokter? Nu de zonapijn is opgeklaard, kom ik volgende maand terug. Ik hoop alleen dat hij sneller ander bezoek mag ontvangen.

We zitten tegenover elkaar in stilte. Zo'n aanhoudende geluidloosheid waarvan je niet zeker weet of de ander de leegte wel apprecieert. Ik tuur door het raam. Vanuit zijn kamer in het rusthuis heeft hij zicht op voetbalterreinen, er is een klas aan het sjotten nu. In mijn ooghoek zie ik hem de bal volgen. Ik zet me nog wat gemakkelijker. Ons kwartier is nog maar net begonnen. Toen ik tijdens mijn eerste toer in het rusthuis bij hem langsging, voelde ik me best ongemakkelijk. De kamer was stil. Enkel de geluiden van de gang kwamen zachtjes binnen. Er hingen familiefoto's aan de muur, maar zijn blik ontweek die zoveel mogelijk. De opengeklapte laptop vergaarde stof. Zijn antwoorden op mijn vragen formuleerde hij met zo weinig mogelijk lettergrepen. Ik had het gevoel dat ik hem stoorde in het nietsdoen. In een poging hem tegemoet te komen, hield ik mijn bezoekjes zo sec en kort mogelijk. Tot die ene keer dat de verpleging me opbelde met de vraag of ik niet wat vroeger dan vastgelegd op huisbezoek kon komen: hij had uitdrukkelijk naar mij gevraagd. Zijn rug was bezaaid met uitgebreide zonaletsels, in de volksmond bekend als gordelroos. Bovenop deze virale aandoening had zich ook nog eens een bacteriële infectie genesteld. Ik trof hem in een gekwelde toestand aan. Tijdens mijn klinisch onderzoek was zijn allereerste vraag: hoe lang houdt deze pijn nog aan, dokter? Zijn gelaten voorkomen maakte het niet gemakkelijk om mijn boodschap te brengen. Geruststellen was immers niet aan de orde. Ik kon hem enkel informeren over het waarschijnlijke beloop. Zo verwachtte ik dat de zonablaasjes eerst zouden uitdrogen en daarna verdwijnen. Helaas betekent dat op zijn leeftijd niet dat de klachten meteen verminderen. Hoe ouder je bent, hoe meer kans je hebt dat de pijn nog een tijd blijft nazinderen. Bij die boodschap was het weer even stil. Er kwam een vermoeide zucht: wat nu, dokter? Bij mijn voorstel om hem op zeer regelmatige basis te bezoeken, zodat ik het ingestelde pijnbeleid snel kon schakelen indien nodig, klonk weer een zucht. Van opluchting? Instemmend, alvast. En zo ontdooiden stilaan onze contacten. Woorden waren nog steeds zeldzaam, maar hij gaf me meer ruimte. Wanneer ik polste naar zijn gemoedstoestand, knikte hij naar de foto's aan de muur of wees hij naar de openstaande laptop. Tussen het opdrijven van de pijnstilling door, werd het me duidelijk dat hij standby bleef. Stilzwijgend hopend op een skypegesprek van zijn enige zoon, die naar Thaïland geëmigreerd was. Zijn geplande bezoek werd door corona steeds weer uitgesteld. Hoe langer het duurde, hoe stiller hij werd. En hoe langer ik besloot te blijven. Sindsdien zet ik me steevast even neer in zijn kamer. En hoewel hij nog steeds met zo weinig mogelijk woorden praat, vraagt hij nadien steevast: wanneer zie ik u weer, dokter? Nu de zonapijn is opgeklaard, kom ik volgende maand terug. Ik hoop alleen dat hij sneller ander bezoek mag ontvangen.