Eerlijk verdeeld? Gelukkig gescheiden!

23/07/09 om 00:00 - Bijgewerkt om 00:00

Als partners niet langer wensen samen te leven, moet er vaak heel wat meer dan de goederen verdeeld worden. Hoe zit het met de vermogens? Hebben ze samen schulden gemaakt? Een specialist geeft uitleg.

Als twee mensen een tijdlang samenleven (gehuwd of samenwonend), is het niet onlogisch dat hun vermogens vermengd raken. De ene partner gebruikt geld uit zijn vermogen voor de nieuwe keuken in het huis van de andere. Of de schulden van de ene partner worden afbetaald met gezamenlijk geld. Zeker in een tijd waar er meer en meer nieuw samengestelde gezinnen zijn, doen zulke vermengingen zich steeds vaker voor. Hoe dikwijls gebeurt het niet dat iemand in het kader van een echtscheiding de woning die hij/zij met de ex-echtgeno(o)t(e) bewoonde (en waarvan zij eigenaars waren) overneemt om dan vervolgens met een nieuwe partner in die woning te gaan wonen. De nieuwe partner betaalt dan vaak de hypothecaire lening mee af of investeert mee in verbouwings- of inrichtingskosten, zoals in het geval van Karin en Peter.

De concrete vraag van Karin: "Hoe zorg ik ervoor dat iedereen zich gerust kan voelen?"

Na de scheiding van haar ex-man kocht Karin hun gemeenschappelijke huis. Daar is ze nu alleen eigenaar van (ze moet wel de lening nog verder afbetalen) en ze woont er samen met haar twee kinderen. Ze heeft al een tijdje een nieuwe vriend, Peter, met wie ze zou willen samenwonen maar of dat een wettelijke of een feitelijke samenwoning wordt, daar hebben ze nog geen beslissing over genomen. Het huwelijksbootje laten ze liever voorbijvaren. Omdat Peter geen kinderen heeft en dus mobieler is, zal hij bij Karin intrekken. Het huis van Karin is echter aan renovatie toe, wat heel wat kosten zal meebrengen. Peter is bereid zijn appartement te verkopen en de opbrengst daarvan te investeren in de verbouwingen van Karins huis.

Peter en Karin zijn heel gelukkig samen, maar het verleden heeft hen geleerd dat ook de beste relatie goede afspraken kan gebruiken. Karin wil een regeling waarbij alle partijen zich "gerust kunnen voelen". Ze heeft daarbij de volgende concrete vragen:

"Ik wil niet pessimistisch zijn, maar ik wil toch ook rekening houden met het 'worst case scenario'. Stel dat mij iets overkomt, dan wil ik er zeker van zijn dat mijn huis en al mijn andere bezittingen zullen toekomen aan mijn kinderen. Anderzijds vind ik het wel heel belangrijk dat Peter in mijn huis kan blijven wonen. Ik zie dat als een soort vrucht-gebruik, terwijl de naakte eigendom naar mijn kinderen zou gaan.

Als we ooit uit elkaar zouden gaan, je weet toch nooit wat de toekomst brengt, moet Peter een compensatie krijgen voor het geld dat hij geïnvesteerd heeft in de verbouwing van mijn woning.

Hoe moeten we dit alles regelen? Een testament maken? Wettelijk gaan samenwonen? Wat kost ons dit nu meteen? En wat zijn de financiële gevolgen van onze keuze later, als er successierechten moeten betaald worden?"

Zolang de (nieuwe) partners nadien samenblijven, rijst er op dat vlak meestal geen probleem. Maar op het moment dat er een breuk komt in de relatie (of als één van de partners overlijdt) kunnen er discussies ontstaan: tussen de gewezen partners onderling of tussen één van hen en de erfgenamen van de andere. Die kunnen zelfs vragen dat de (tweede) partner van hun ouder de woning verlaat.

De juridische principes die in zulke gevallen een rol spelen, verschillen naargelang de partners gehuwd samenleefden (en onder welk stelsel) of samenwoonden (wettelijk of feitelijk). Vermits Karin en Peter willen samenwonen, vinden zij het antwoord op hun vragen bij de regels voor samenwonenden. Om nog beter te kunnen vergelijken, lijkt het ons ook voor hen nuttig te lezen hoe de zaak bij gehuwden wordt geregeld.

Gehuwd onder het wettelijk stelsel

De meeste echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen en gemeenschap van aanwinsten (dat is het zogenaamde wettelijk stelsel). In dat geval zijn er eigenlijk drie vermogens: de twee eigen vermogens en het gemeenschappelijke vermogen. De wet bepaalt hoe eventuele discussies dan moeten worden opgelost.

Van eigen vermogen naar gemeenschap of andersom

In het geval dat één van de partners met geld uit zijn eigen vermogen geïnvesteerd heeft in het gemeenschappelijke vermogen (of andersom) en deze vermogens worden uit elkaar gehaald, dan moet er een wettelijke vergoedingsrekening worden opgemaakt. Dit komt neer op een grote rekensom, waarbij de ene vergoeding de andere kan compenseren en er uiteindelijk een saldo overblijft. Deze rekensom kan nooit tijdens het huwelijk worden gemaakt, maar enkel bij de ontbinding.

Vergoeding.

Bij het bepalen van de omvang van de vergoeding gelden twee grote principes:

1. De vergoeding mag nooit minder bedragen dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen, ook al is datgene waarin werd geïnvesteerd intussen minder waard geworden dan het bedrag van de verarming.

2. Het bedrag van de vergoeding mag niet wordt aangepast aan de muntontwaarding. Ook al gebeurde de investering talloze jaren geleden, het bedrag van de vergoeding wordt niet geïndexeerd of er worden geen intresten op toegekend (intresten lopen pas vanaf de ontbinding van het huwelijk). Op dit principe bestaat wel één uitzondering. Als de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen hebben gediend voor "de verkrijging, de instandhouding of de verbetering van een onroerend goed", moet wél met de waardevermeerdering van dit goed rekening worden gehouden bij het bepalen van de vergoeding. Deze uitzondering moet echter beperkt worden geïnterpreteerd. Als de echtgenoten bijvoorbeeld met gezamenlijk geld een hypothecaire lening afbetalen die één van hen aanging voor het huwelijk, dan is dit geen verkrijging, instandhouding of verbetering en zal de uitzondering niet van toepassing zijn. Hetzelfde geldt als de investering gebeurde in roerende goederen (bijv. een kunstwerk, effecten,...).

VOORBEELD: Martine en Bernard zijn in 1990 gehuwd onder het wettelijk stelsel. Martine heeft voor haar huwelijk van haar ouders een bouwgrond gekregen (waarde toen euro 50.000). De echtgenoten bouwden hierop in 1991 met gezamenlijk geld een woning (investering euro 100.000). Omdat de bouwgrond al van Martine was voor het huwelijk, zal de woning ook van haar zijn (tenzij de grond via een huwelijksovereenkomst werd ingebracht in het gemeenschappelijke vermogen). Haar vermogen werd dus verrijkt met euro 100.000, via gemeenschappelijk geld. Als Martine en Bernard scheiden, zal Martines eigen vermogen een vergoeding verschuldigd zijn aan het gemeenschappelijke vermogen.

1. Stel dat de woning met grond nu euro 125.000 waard is (de grond euro 50.000 en de woning euro 75.000), dan moet toch een vergoeding van euro 100.000 worden betaald aan het gemeenschappelijke vermogen dat investeerde. De vergoeding mag nu eenmaal niet lager zijn dan het bedrag van de verarming.

2. Is de woning met grond integendeel euro 300.000 waard geworden (euro 200.000 voor de woning en euro 100.000 voor de grond), dan is een vergoeding ten belope van euro 200.000 verschuldigd aan het gemeenschappelijke vermogen. Hier geldt immers de uitzondering: gemeenschappelijk geld werd aangewend voor de verkrijging van een onroerend goed.

IN DE PRAKTIJK: De wet heeft het over de vergoeding van het eigen vermogen aan het gemeenschappelijke vermogen en vice versa. Uiteraard moet het gemeenschappelijke vermogen gedeeld worden. In de praktijk moet Martine dus resp. euro 50.000 en euro 100.000 aan Bernard.

Wie bewijst wat?

Diegene die beweert dat hij recht heeft op een vergoeding moet dat in principe ook bewijzen. Hij moet bewijzen welk feit aanleiding gaf tot een vergoeding (bijv. een verbouwing of de betaling van een schuld). Deed hij dat met eigen geld, dan moet hij ook dat feit aantonen. Daar durft het schoentje wel eens te wringen, temeer daar banken informatie over transacties maar 10 jaar bijhouden.

LET OP! Echtgenoten die geld gebruiken uit hun eigen vermogen voor investeringen in het gemeenschappelijke vermogen, houden het best zowel bewijzen bij van wat er juist gebeurde (bijv. de aannemingsovereenkomst, facturen,...) als van met welk geld dat werd betaald (bijv. rekeninguittreksels,...).

WEETJE: Omgekeerd, als het gemeenschappelijke vermogen de investering deed in het eigen vermogen van één van de echtgenoten (bijv. als er met geld uit het gemeenschappelijke vermogen verbouwd werd aan de woning van één van de echtgenoten) dan moet enkel het feit dat aanleiding gaf tot de vergoeding worden aangetoond. Er bestaat dan namelijk een vermoeden dat de investering met gemeenschappelijk geld gebeurde. Het is dan de echtgenoot die betwist dat een vergoeding moet worden betaald, die dient aan te tonen dat het geld, gebruikt voor de investering, eigen was.

VOORBEELD: In ons voorbeeld zou dat dus betekenen dat als Martine beweert dat de woning destijds met haar eigen geld werd gebouwd (en niet met gemeenschappelijk geld) zij dat zou moeten aantonen.

Uw partner uitkopen én de lening betalen

Bij een scheiding gebeurt het vaak dat één van de partners het huis én de lening overneemt. Deze vorm van vergoeding valt buiten de regels van de vergoedingsrekeningen, maar is daarom niet minder belangrijk.

Hoe gaat men dan te werk?

Om te bepalen hoeveel de partner die het huis houdt aan de andere moet betalen, wordt het huis opnieuw geschat. Van deze prijs wordt het nog niet terugbetaalde deel van de lening afgetrokken. Dit resultaat wordt door twee gedeeld en dat is het bedrag dat de ene partner aan de andere moet betalen. Niet zelden moet de partner die uitkoopt daarvoor een nieuwe lening sluiten, wat niet evident is. Hij/zij moet immers ook nog het bedrag van de oude lening terugbetalen. De oude lening omzetten in een nieuwe (grotere) lening kost op zich ook weer geld (een wederbeleggingsvergoeding van meestal 3 maanden intrest).

Van eigen naar eigen vermogen

Als het ene eigen vermogen geïnvesteerd heeft in het andere, gelden de regels van de vergoedingsrekening niet. Toch betekent dit niet dat bij transferten van het ene naar het andere eigen vermogen er niets kan worden gevraagd. De (ex-)echtgenoten zijn, voor hun eigen vermogens gewoon schuldeiser of schuldenaar van elkaar.

Vergoeding.

Hier krijgt de ene echtgenoot een vordering op de andere echtgenoot, net zoals elke andere schuldeiser/ schuldenaar. Dit is al mogelijk tijdens het huwelijk.

Wie bewijst wat?

De echtgenoot die beweert over zulke vordering te beschikken, moet twee zaken aantonen:

1. dat er inderdaad een overgang van geld van zijn eigen vermogen naar het andere is geweest.

2. dat er een rechtsgrond is om het geld terug te vragen. Hij moet bijv. bewijzen dat hij het geld geleend heeft of dat hij het geschonken heeft en dat hij nu de schenking herroept (wat mogelijk is tussen echtgenoten).

Als hij dit dubbele bewijs niet kan leveren, zal zijn vordering wellicht gedoemd zijn om te mislukken.

TIP: Om de rechtsgrond te kunnen aantonen en geen discussies te hebben, kunt u het best op het moment van de transactie al duidelijk overeenkomen over welke soort verrichting het gaat en die overeenkomst al op papier zetten. Dit om eindeloze achterafdiscussies te vermijden.

Alternatief.

In plaats van de echtgenoot die de investering doet in het vermogen van de andere te vergoeden als het misloopt, zou men hem ook van meet af aan een eigendomsrecht kunnen geven. Houd er wel rekening mee dat een koopovereenkomst tussen echtgenoten niet zomaar kan (er is veelal een machtiging van de rechter voor nodig) en dat er registratierechten moeten worden betaald.

Gehuwd met scheiding van goederen

Bij een stelsel van scheiding van goederen gelden dezelfde regels als bij een vergoeding van het ene naar het andere eigen vermogen. Ook hier kan de ene echtgenoot een schuldvordering hebben op de andere. Om die vordering te kunnen innen, moet hij aantonen dat er werkelijk een transfert is geweest van waarden of geld van zijn vermogen naar het andere. Bovendien moet hij ook hier een rechtsgrond (bijv. een lening, een schenking die wordt herroepen...) kunnen bewijzen.

Onverdeelde eigenaars.

Bij een stelsel van scheiding van goederen is het een klassiek verschijnsel dat één of meerdere onroerende goederen op naam van beide echtgenoten staan, maar dat dit onroerend goed in overwegende mate wordt betaald door één van de partners. Deze partner stak er bijvoorbeeld meer geld in van zijn vermogen of hij loste met zijn geld de lening af. In dat geval zal de eigendom van het onroerende goed sowieso van de beide partners blijven. Tenzij er in de aankoopakte daarover iets anders wordt voorzien, is elk van de partners namelijk voor de helft eigenaar. Willen de echtgenoten uit onverdeeldheid treden, dan zal de ene de andere moeten uitkopen of de woning zal moeten worden verkocht.

Vergoeding.

Degene die meer investeerde in de woning kan trachten daarvoor een vergoeding te krijgen van de andere. Maar dat zal lang niet altijd succesvol zijn. In een contract van scheiding van goederen staan wel eens bepalingen die zulke terugvordering verhinderen. Bovendien worden zulke vorderingen door heel wat rechters als onbillijk beschouwd, zeker als het gaat om de gezinswoning. Er worden allerhande oplossingen uitgewerkt om zulke terugvorderingen te vermijden. Zo aanvaardt men wel eens dat de aankoop van de gezinswoning een last is van het huwelijk, waarbij wordt gesteld dat als de niet-geldelijke bijdragen van de ene echtgenoot in de lasten van het huwelijk (bijv. het huishouden doen, de kinderen opvoeden,...) in verhouding zijn tot de bijdrage van de andere, de andere echtgenoot niets kan terugvorderen. Dit wordt vaak als een billijke oplossing beschouwd.

Overlijden.

Overlijdt één van de echtgenoten, dan erft de langstlevende partner het vruchtgebruik over de gezinswoning, zelfs als die alleen eigendom was van de overledene. De erfgenamen van de overleden echtgenoot kunnen de langstlevende dus niet uit de woning zetten. Dat is tenminste al één zekerheid voor een echtgenoot die allerhande investeringen heeft gedaan in een gezinswoning waarvan de andere de eigenaar was.

Samenwonend

Voor samenwoners gelden dezelfde regels als voor echtgenoten die gehuwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen, met de uitzondering dat de hierboven aangegeven billijkheidsoplossing niet kan worden doorgetrokken. Bij een samenwonend koppel zijn er immers geen lasten van het huwelijk.

Vergoeding.

De samenwoner die van de andere partij een vergoeding vraagt, zal dus én de investering in het vermogen van de andere moeten aantonen, én een rechtsgrond om terug te vorderen. Het herroepen van een schenking gaat hier niet want enkel schenkingen tussen echtgenoten kunnen herroepen worden. Een juridische mogelijkheid is het verval van de schenking, maar dit kan enkel als men kan aantonen dat de schenking geen oorzaak meer heeft, wat in de praktijk heel moeilijk is.

LET OP! Als de ene partner investeert in het vermogen van de andere is het ook hier heel belangrijk duidelijke - en schriftelijke! - afspraken te maken op het moment van de investering zelf.

Overlijden.

Waar bij het overlijden van een echtgenoot de andere minstens ook het vruchtgebruik heeft over de gezinswoning zodat hij er alleszins in kan blijven wonen (zie eerder) is dat bij samenwoners niet noodzakelijk het geval. Sinds zowat twee jaar erven wettelijk samenwonenden wel van elkaar, zonder dat er een testament dient opgemaakt te worden. Meer bepaald erft de langstlevende wettelijk samenwonende partner het vruchtgebruik van de gezinswoning en huisraad. Voor feitelijk samenwonenden bestaat er geen wettelijke regeling. Zij kunnen enkel gebruik maken van een testament of een beding van aanwas.

Het concrete antwoord aan Karin (en Peter)

Uit wat voorafgaat blijkt dat Karin en Peter best een en ander vooraf regelen. Op die manier kan zelfs bij het worst case scenario (een overlijden van Karin, wat wij haar uiteraard niet toewensen), geregeld worden dat Peter in het huis kan blijven wonen. Ook de regeling over de investering van Peter in Karins huis staat het best op papier.

  • Ze kunnen wettelijk samenwonen (een verklaring bij de burgerlijke stand volstaat, ze is meestal gratis). Zo heeft Peter een beperkt erfrecht, nl. het vruchtgebruik op de gezinswoning en de huisraad.
  • Blijven ze liever feitelijk samenwonen, dan erft Peter in principe niets. Karin kan een testament maken waarin ze Peter aanduidt als vruchtgebruiker van haar huis. Let op, bij testament kan Karin enkel het beschikbare deel aan Peter geven. Dit is het deel dat overblijft nadat haar kinderen hun reservatair deel gekregen hebben. Vermits ze 2 kinderen heeft, mag het vruchtgebruik van Peter niet groter zijn dan 1/3de van Karins nalatenschap. Hoe ouder Peter zal zijn bij een eventueel overlijden van Karin, hoe kleiner de waarde van zijn vruchtgebruik. Bedraagt Peters vruchtgebruik meer dan de reserve van de kinderen, dan is hij niet zeker dat hij het vuchtgebruik wel zal krijgen. De wet bepaalt dat de reservataire erfgenamen de keuze hebben: ofwel een stukje reserve af-staan en het vruchtgebruik aan Peter laten, ofwel het beschikbare deel afkopen. Dan krijgt Peter geld, maar geen vruchtgebruik.
  • Wat de successierechten betreft, betalen samenwoners in Vlaanderen dezelfde (gunstige) tarieven als gehuwden: wettelijke samenwoners sowieso en feitelijke samenwoners na één jaar samenwoning.
  • Zowel als ze uit elkaar gaan als bij een overlijden heeft Peter recht op een vergoeding voor de investeringen die hij deed in Karins huis. Vermits ze niet zullen trouwen, zal Peter een dubbel bewijs moeten leveren: dat hij geld geïnvesteerd heeft én dat hij een rechtsgrond heeft om een vergoeding te vragen. Peter kan het best op voorhand op papier zetten dat hij Karin bijvoorbeeld een renteloze lening geeft.

EEN GOEDE RAAD: Dit alles is uiteraard een kwestie van prioriteiten. Karin moet weten dat als zij Peter een vruchtgebruik geeft, haar kinderen misschien lang zullen moeten wachten voor zij de volle eigendom van haar huis verwerven. Zij zou Peter ook een bewoningsrecht kunnen geven dat beperkt is in de tijd. Het is dus belangrijk om alles eens goed op een rijtje te zetten. Hoe dan ook is een testament altijd herroepbaar.

Onze partners