Blote eigendom en vruchtgebruik uitgelegd

11/03/10 om 00:00 - Bijgewerkt op 19/04/16 om 16:33

De juridische figuur van het vruchtgebruik roept nog regelmatig vragen op. Wat is het precies? Hoe werkt het? Wie mag of moet wàt? En wat gebeurt er als de blote eigenaar ongeduldig wordt en zijn eigendom te gelde wil maken?

Blote eigendom en vruchtgebruik uitgelegd

© iStock

Het vruchtgebruik bestond al in het Romeinse recht en toch leidt de kunstmatige opsplitsing van de economische waarde van een zaak in het kapitaal voor de blote eigenaar en de vruchten voor de vruchtgebruiker (zo zouden we de juridische figuur van het vruchtgebruik in mensentaal omschrijven), nog altijd tot conflicten. Meer bepaald na het overlijden van één van de ouders - de situatie die wij in dit artikel verder uitwerken - komen heel wat gezinnen terecht in een toestand waarbij de kinderen de blote eigenaar(s) zijn en de langstlevende ouder de vruchtgebruiker. En dat kan jaren zo blijven...

Het principe: hoe werkt het vruchtgebruik?

De officiële definitie van het begrip vruchtgebruik vinden we in artikel 578 van ons burgerlijk wetboek: "het is het recht om van een zaak, waarvan een ander de eigendom heeft, tijdelijk het genot te hebben, zoals de eigenaar zelf, maar met de verplichting om de zaak zelf in stand te houden."

Gebruik, genot, inkomsten en beheer

De vruchtgebruiker mag de vruchten opstrijken zoals intresten, dividenden, enzovoort. Hij heeft ook een beheersrecht over de goederen waarop het vruchtgebruik slaat. Zo kan de vruchtgebruiker van een huis dit verhuren en de huuropbrengsten innen (maar hij kan maximaal een huurcontract van 9 jaar afsluiten zonder de blote eigenaar erbij te betrekken).

De blote eigenaar blijft eigenaar van de zaak, maar zijn eigendomsrecht is van zijn belangrijkste attributen ontdaan, namelijk genot en gebruik. Hij kan de zaak wel verkopen, wegschenken of in hypotheek geven, maar enkel en alleen voor de blote eigendom. De koper - de nieuwe blote eigenaar dus - moet het vruchtgebruik verder dulden tot dit afloopt. Een volle eigendom kan alleen maar verkocht of geschonken worden door de blote eigenaar, mits de vruchtgebruiker daarmee instemt. Deze laatste moet dan zijn vruchtgebruik mee verkopen of wegschenken.

Instandhoudingsplicht

Vruchtgebruik is per definitie een tijdelijk recht. Als er een duidelijk afgesproken termijn is, dan stopt het vruchtgebruik bij afloop van die termijn. Als het vruchtgebruik levenslang is, wat het geval is met het erfrechtelijk vruchtgebruik, dan eindigt het automatisch bij het overlijden van de vruchtgebruiker. Het kan ook eindigen door eraan te verzaken (bij notariële akte).

Wanneer het vruchtgebruik uitdooft, voegt het zich bij de blote eigenaar, die dan volle eigenaar wordt.

Maar hoe moeten we ons de instandhoudingsplicht voorstellen, wetend dat vruchtgebruik zowel op roerende, als onroerende goederen gevestigd kan worden?

Als het vruchtgebruik op zaken slaat die door normaal gebruik verslijten (bijv. linnen en huisraad), dan mag de vruchtgebruiker die op het einde van het vruchtgebruik teruggeven in de staat waarin ze zich dan bevinden, dus eventueel versleten. Precies omdat de vruchtgebruiker de zaak in stand moet houden (instandhoudingsplicht), zijn er twee elementen voorzien die de blote eigenaar enige zekerheid moeten bieden. Zo kan de vruchtgebruiker pas het genot krijgen nadat een boedelbeschrijving van de roerende goederen en een staat van de onroerende goederen is opgemaakt. Daarnaast moet de vruchtgebruiker ook een borgstelling geven. In de wet is er geen formule opgenomen ter bepaling van de borg. Ouders die het wettelijk vruchtgebruik hebben van het goed van hun kinderen zijn evenwel niet tot borgstelling gehouden.

Partijen kunnen echter afwijken van deze wettelijke bepalingen, wat in de praktijk vaak gebeurt.

Verbruikbare zaken. U kunt bijvoorbeeld ook het vruchtgebruik van een wijnkelder erven en dan kunt u uw recht van genot moeilijk uitoefenen zonder... de flessen leeg te drinken. U kunt dus onmogelijk de zaak zelf in stand houden. De wet lost dit op door de vruchtgebruiker in dergelijke situaties te verplichten op het einde van het vruchtgebruik aan de blote eigenaar goederen van gelijke hoeveelheid en waarde terug te geven. De vruchtgebruiker die een peperdure St. Emilion krijgt, mag dus op het eind van zijn gebruik geen goedkoop landwijntje afleveren. Men noemt dit oneigenlijk vruchtgebruik of quasi-vruchtgebruik.

Onderhoud en lasten

De vruchtgebruiker is wettelijk verplicht gewone herstellingswerken voor zijn rekening te nemen. De blote eigenaar moet instaan voor de grove herstellingswerken, zegt de wet. Volgens een Cassatie-arrest van 22 januari 1970 moet hieronder begrepen worden: " de grove vernieuwings- en verbouwingswerken met het oog op de algemene stevigheid en instandhouding van het gehele gebouw, die een uitzondering zijn in het bestaan zelf van het eigendom en waarvan de kosten normaal van het kapitaal worden afgenomen".

De vruchtgebruiker moet ook de periodieke lasten van het goed dragen, zoals bijvoorbeeld de onroerende voorheffing, de brandverzekering...

Als één van de ouders overlijdt...

In dit artikel beperken we ons tot de situatie waar één ouder overlijdt en hij of zij een echtgeno(o)t(e) en kinderen nalaat. De ouders waren gehuwd volgens het wettelijk stelsel. Als er geen huwelijkscontract of testament is, dan erft de langstlevende in dit geval het vruchtgebruik van de nalatenschap en de kinderen de blote eigendom. Of de kinderen van de overledene al dan niet stammen uit het huwelijk met de langstlevende, is daarbij niet relevant.

In geval van wettelijk samenwonende partners komt enkel het vruchtgebruik op de gezinswoning automatisch toe aan de langstlevende partner.

Formaliteiten bij het ontstaan van het vruchtgebruik

Wie het vruchtgebruik erft (in dit geval de langstlevende partner) moet de waarde ervan binnen de 5 maanden na overlijden aangeven aan de fiscus d.m.v. een aangifte van nalatenschap; de successierechten worden dan berekend door de fiscus en moeten binnen de 7 maanden na overlijden betaald worden, zoniet loopt er een intrest ten voordele van de Staat aan 7% per jaar.

De blote eigenaars betalen ook de successierechten op de waarde van hun blote eigendom, maar kunnen ook een uitstel van betaling krijgen van de fiscus (mits betaling van intrest).

Wie vruchtgebruik ontvangt door een aanwasbeding naar aanleiding van een overlijden moet de registratierechten betalen binnen de 4 maanden na overlijden.

Is de verstandhouding tussen de ouders en de kinderen optimaal, dan eisen de kinderen zelden hun erfdeel (in blote eigendom) op bij het overlijden van één van de ouders. Zij doen alsof er geen nalatenschap is opengevallen en laten de weduwe of weduwnaar ongemoeid. Ze aanvaarden dus dat deze laatste zich gedraagt en handelt alsof hij volle eigenaar is van alles, hoewel dit juridisch niet zo is. Met andere woorden: de kinderen wachten rustig hun beurt af en beschouwen zichzelf pas als erfgenaam wanneer ook de langstlevende van de ouders overlijdt. Op dat moment dooft het vruchtgebruik immers automatisch uit en worden de kinderen sowieso volle eigenaars van alles.

Pas de bankrekeningen aan

Kinderen-blote eigenaars laten de zaken zoals gezegd vaak op hun beloop om de langstlevende ouder met rust te laten. Maar dat is niet zo'n verstandige beslissing voor wat de bankrekeningen betreft. Als deze blijven bestaan op naam van de langstlevende ouder, dan vallen ze in de erfenis van de langstlevende en moeten de kinderen er later... een tweede keer successierechten op betalen, terwijl ze er reeds deels blote eigenaar van zijn.

Het is daarom beter na een overlijden de oude bankrekeningen te laten aanpassen en de naam van de titularis van de bankrekening te wijzigen, bijvoorbeeld in "Onverdeelheid Familie X". Zo is het later voor de fiscus duidelijk dat die rekening voortkomt uit een vroegere erfenis waarop reeds deels successierechten zijn betaald.

Formaliteiten bij het einde van het vruchtgebruik

In principe eindigt vruchtgebruik door overlijden of verloop van termijn. Toch moet voor onroerende goederen een verklaring van 'einde vruchtgebruik' ingediend worden bij de fiscus, opdat alle officiële instanties op de hoogte zouden zijn van dit einde van vruchtgebruik.

Bij conflicten

In sommige gezinnen gaat het er helaas minder harmonieus aan toe en zijn er conflicten tussen ouder(s) en kind(eren). Stel dat één van de kinderen - overigens niet onterecht - vindt dat aan de blote eigendom maar weinig pret te beleven valt. Je kunt de met vruchtgebruik bezwaarde goederen niet zomaar te gelde maken, je kunt er niet van genieten en je kunt niet over de vruchten (lees: de inkomsten) ervan beschikken. Het vruchtgebruik van de langstlevende echtgeno(o)t(e) wordt in deze situaties als een obstakel ervaren. Wanneer de langstlevende ouder, gelet op zijn leeftijd en gezondheidstoestand, nog flink wat jaren voor de boeg heeft, is het voor de kinderen soms wachten op Godot.

Om deels tegemoet te komen aan deze problematiek heeft de wetgever een aantal beschermingsmechanismen uitgedokterd om de positie van de betrokken partijen veilig te stellen. Zo kan de blote eigenaar, zoals eerder gezegd, eisen dat voor alle roerende goederen waarop het vruchtgebruik slaat, een notariële inventaris wordt opgesteld en voor de onroerende goederen een plaatsbeschrijving. De blote eigenaar kan ook vragen dat de geldsommen worden belegd en dat eventuele effecten worden geblokkeerd op een gemeenschappelijke bankrekening op naam van zowel de blote eigenaar als de vruchtgebruiker. De vruchtgebruiker heeft geen recht op de meerwaarden van de effecten maar enkel op de inkomsten of de dividenden ervan. Daar staat tegenover dat de langstlevende echtgenoot wel een erfbelasting verschuldigd is op zijn/haar vruchtgebruik en dat bij de berekening van de fiscale waarde hiervan wordt uitgegaan van een (momenteel zuiver hypothetisch) rendenement van 4%.

Omzetting van vruchtgebruik

Daarnaast is het ook mogelijk op een definitieve wijze een einde te stellen aan de opsplitsing tussen vruchtgebruik en blote eigendom van bepaalde goederen die tot de erfenis behoren. Deze opdeling zorgt immers niet alleen voor frustraties, ze is evenmin bevorderlijk voor een efficiënt vermogensbeheer.

Een en ander is mogelijk door omzetting van het vruchtgebruik. Concreet betekent dit dat het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot wordt omgewisseld in volle eigendom van de erfgoederen, of in een som geld of in een gewaarborgde en geïndexeerde lijfrente (art. 745quater B.W.). De wet regelt vrij gedetailleerd wie, wanneer de omzetting kan eisen, en van welke goederen.

Voor de gezinswoning en de aanwezige huisraad kan enkel omgezet worden als de langstlevende ouder met de omzetting van het vruchtgebruik instemt. Hij/zij kan hier nooit toe verplicht worden.

Voor de overige goederen mogen zowel de langstlevende ouder als de kinderen de omzetting van het vruchtgebruik vragen, behalve kinderen die tijdens het huwelijk door de overledene in overspel zijn verwekt.

Als er kinderen zijn, mogen zowel de langstlevende partner als de gemeenschappelijke kinderen de omzetting vragen, tenzij de overledene dat in zijn testament anders heeft bepaald. Dat verbod kan hij niet opleggen aan zijn kinderen uit een vorige relatie, anders gezegd, als die kinderen de omzetting willen, kan de langstlevende partner dat niet tegenhouden. Bovendien zijn die kinderen wettelijk beschermd als de vruchtgebruiker minder dan 20 jaar ouder is dan het oudste kind uit een eerdere relatie: bij de omzetting van het vruchtgebruik trekt men in dat geval de leeftijd van de jonge vruchtgebruiker fictief op tot 20 jaar boven de leeftijd van het oudste kind, waardoor de duur van het vruchtgebruik korter wordt. Want als er een groot leeftijdsverschil was tussen de partners en de langstlevende nog vrij jong is, riskeren die kinderen anders in de praktijk nooit van de volle eigendom te kunnen genieten. Als een van de betrokken personen de omzetting niet wil, kan een rechter de knoop doorhakken.

Als er geen kinderen zijn, kan een blote eigenaar de omzetting slechts vragen, een rechter kan ze steeds tegenhouden. De langstlevende partner van zijn kant kan dat tot vijf jaar na het overlijden eisen (hij riskeert alleen een weigering van een rechter als dat de belangen van een onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden), daarna kan hij het ook alleen maar vragen.

Waardering van het vruchtgebruik

Sinds 25 januari 2015 is er een nieuwe wet van kracht voor de waardebepaling van het vruchtgebruik na het overlijden van de eerste partner.

Het staat beide partijen in principe vrij te bepalen hoeveel het vruchtgebruik en de blote eigendom waard zijn. Maar dat is geen eenvoudige zaak. Vaak wordt daarom aan de rechter gevraagd de knoop door te hakken.

Bij gebrek aan geijkte regels ter zake, werd de waarde van het vruchtgebruik vroeger in de praktijk doorgaans berekend aan de hand van de zogenaamde sterftetafels uit het Wetboek van Successierechten of op basis van een aantal andere formules (die niet wettelijk waren vastgelegd), al naargelang wat partijen onderling overeenkwamen of wat de rechter opportuun achtte. De nieuwe Wet van 22 mei 2014 (die in voege ging op 25 januari 2015) introduceert één geldende formule. Deze formule is gebaseerd op 3 parameters:

  • De leeftijd van de vruchtgebruiker op de datum van de indiening van het verzoekschrift tot omzetting van het vruchtgebruik;
  • Het geslacht van de vruchtgebruiker;
  • De verkoopwaarde van de goederen.

De minister van Justitie zal elk jaar tegen 1 juli twee omzettingstabellen publiceren: een voor mannen en een voor vrouwen.

Die omzettingstabellen bevatten volgende elementen:

Elke omzettingstabel zal de volgende elementen vermelden:

  • De leeftijd van de vruchtgebruiker;
  • Diens levensverwachting (LV) met de overeenstemmende rentevoet (RV);
  • De waarde van het vruchtgebruik, uitgedrukt als een percentage dat moet worden toegepast op de verkoopwaarde van de goederen.

Deze waarden worden toegepast in de formule:

Blote eigendom = volle eigendom / (1+ RV)LV *

De wet stipuleert wel dat als de levensverwachting door bepaalde omstandigheden beduidend lager zou zijn dan het cijfer dat voorkomt in de omzettingstabellen (bijv. bij terminale ziekte), de partij die zich daardoor benadeeld voelt naar de rechter kan stappen. De rechter kan dan de omzetting weigeren of andere omzettingsregels opleggen.

Onze partners