Wie arm is, gaat minder vaak naar huisarts en tandarts

05/09/13 om 10:54 - Bijgewerkt om 10:54

Mensen in armoede gaan maar de helft zo vaak naar de tandarts voor een preventieve controle dan anderen. Ze gaan ook minder naar de huisarts en vaker naar de spoeddienst, zo wijst een CM-studie uit.

In 2010 en 2011 ging 20 procent van de mensen met een leefloon (en hun gezinnen) naar de tandarts voor een preventief mondonderzoek. Niet-leefloners deden dat dubbel zo vaak. CM vond verklaringen hiervoor door de ervaring van haar diensten Maatschappelijk Werk aan te vullen met input van enkele armoedeverenigingen. De kostprijs speelt hier zeker een rol. Ook de vrees voor de prijs van een vervolgbehandeling (bvb. een beugel) speelt mee.

Dat kan vreemd lijken, want sommige maatregelen beperken de kostprijs voor tandzorg, zoals de gratis tandzorg tot de achttiende verjaardag voor iedereen en de volledige terugbetaling van het mondonderzoek en tandsteenverwijdering voor mensen met verhoogde tegemoetkoming (o.a. leefloners) tussen de 18de en 63ste verjaardag die het jaar ervoor ook naar de tandarts gingen.

Maar ook het gebrek aan informatie speelt een rol. Mensen in armoede geven aan dat ze de regels niet kennen, vaak omdat de informatie niet bij hen geraakt of niet duidelijk gecommuniceerd wordt. Een laatste verklaring is wellicht dat mensen in armoede veel urgente problemen hebben waarvoor een oplossing zich opdringt, waardoor er minder aandacht is voor de preventie van mogelijke problemen in de toekomst.

Minder naar huisarts, meer naar spoed

Mensen in armoede gaan ook minder naar de huisarts. 63 procent van de leefloners ging in 2011 minstens eenmaal naar de huisdokter, bij niet-leefloners was dit 9 procent meer. Dat ondanks het feit dat verschillende studies al aangeven dat mensen in armoede ongezonder zijn. Ook hier spelen bovenvermelde factoren een rol: vrees voor de kostprijs, de verwachte kostprijs van de opvolgbehandeling (bvb. medicatie, naar de specialist), en het gebrek aan informatie. Een lichtpunt in dit verband zijn ongetwijfeld de wijkgezondheidscentra: zij slagen er in om met hun laagdrempelig aanbod toch bijna 12 procent van de leefloners te bereiken.

Wie een leefloon ontvangt, gaat ook vaker naar de spoeddienst, dan wie geen leefloon krijgt (resp. 24 procent en 15 procent). Deze duurdere vorm van gezondheidszorg blijkt meer vertrouwen te krijgen van mensen met een leefloon. Dat daar de rekening niet meteen moet betaald worden, speelt ongetwijfeld een rol. Ook zijn de wachtdiensten van huisartsen nog niet overal even toegankelijk.

Onderbenutting

De voorzitter van CM, Marc Justaert, maakt zich zorgen bij deze cijfers. "Mensen met een laag inkomen zouden, zoals elke Belg, naar de huisarts of tandarts moeten kunnen stappen wanneer dat nodig is. We kunnen het niet aanvaarden dat onze gezondheidszorg voor hen minder toegankelijk is." CM pleit daaromvoor een verdere automatisering van de rechten voor mensen uit sociale categorieën, zoals de automatische toepassing van de derdebetalersregeling (waarbij de patiënt enkel het remgeld betaalt).

Ook voor de betaalbaarheid van het systeem vindt CM de cijfers problematisch. "Ten eerste is voorkomen altijd goedkoper dan genezen. Voor elke euro die we investeren in preventie en een efficiënte communicatie daarvan, sparen we er twee uit voor behandeling. Ten tweede zien we dat, wanneer er gezondheidsproblemen optreden, mensen in armoede zorg uitstellen, waardoor de behandeling ook intensiever - en dus duurder - wordt. Tot slot is de spoeddienst een duurdere vorm van zorg, die in bepaalde gevallen beter kan opgevangen worden door de huisarts, al dan niet via de wachtdienst", zegt Justaert. Een efficiënter gebruik van gezondheidszorg door patiënten, maakt middelen vrij en komt op die manier iedereen ten goede, vindt CM.

Onze partners