Proeven doen we met ons brein

14/05/17 om 16:37 - Bijgewerkt om 16:55

Denk je dat je zintuigen bepalen wat je hoort, ziet, proeft en voelt? Mis: waarnemen doen we vooral met onze hersenen. En dan spelen de zintuigen ook nog eens onder één hoedje.

Proeven doen we met ons brein

© Getty Images/iStockphoto

Crackers smaken lekkerder als je ze hoort kraken. Bosbessensap ruikt aangenamer als het rood is in plaats van groen. En met klassieke muziek op de achtergrond kopen mensen duurdere wijn. Onze zintuigen werken niet los van elkaar, in tegenstelling tot wat wetenschappers lang dachten. Wat je ziet, beïnvloedt bijvoorbeeld wat je proeft, en wat je hoort, beïnvloedt wat je ziet. Als je de zintuigen zou zien als een orkest, dan kun je de hersenen beschouwen als de dirigent.

Culinair kattenvoer

Onze smaaksensatie hangt alleen af van onze smaakpapillen, denken veel mensen. Maar dat klopt helemaal niet. Driekwart van de smaakervaring wordt bepaald door wat je ruikt. Hoe gevoeliger je brein is voor geuren, hoe groter je smaakgevoeligheid. Vrouwen proeven beter dan mannen, niet omdat ze meer smaakpapillen hebben, maar omdat hun brein gevoeliger is voor signalen vanaf de tong.

Daarnaast hangt de smaakbeleving sterk af van de kleur, het geluid en de vorm van wat je eet én van de verwachting die je ervan hebt. Zo smaakt warme chocolademelk lekkerder in een oranje mok en smaakt citrussap sterker in een gele beker. In een lawaaierige omgeving vinden we voedsel minder lekker, en we vinden het zoeter smaken als we hoge tonen horen. Hoekige vormen smaken dan weer sterker dan ronde, en wijn is een stuk lekkerder als hij een moeilijke naam heeft. De impact van onze verwachtingen is zo groot, dat als mensen denken een culinair hoogstandje te proeven, ze kattenvoer niet kunnen onderscheiden van een eendenmousse.

Denken met je hoofd én je lijf

Proeven doen we met ons brein

© Getty Images/iStockphoto

Ons denken beïnvloedt onze smaaksensatie, maar het omgekeerde geldt ook: smaak beïnvloedt ons denken. Wie een bitter drankje voorgeschoteld krijgt, oordeelt daarna harder over anderen dan wie een glas water drinkt. Een zoete smaak maakt ons dan weer hulpvaardiger. Dat verband tussen smaak en moraal duikt ook in onze taal op: een zoet kind is een braaf kind. Morele normen manipuleren op hun beurt onze smaakervaring. Na het lezen over een misdaad beoordelen we een drankje negatiever, terwijl we het juist lekkerder vinden na iets gelezen te hebben over bijvoorbeeld mensen die dieren uit slechte omstandigheden redden. Wat er in ons hoofd omgaat, staat niet los van de rest van ons lichaam. Belichaamde kennis (embodied cognition), zo wordt de impact van het lichaam op onze denkprocessen genoemd. Wist je bijvoorbeeld dat ons morele oordeel veel milder is nadat we onze handen hebben gewassen?

Stoelgang rijkt vies omdat je denkt dat dit vies ruikt

Proeven doen we met ons brein

© Getty Images/iStockphoto

Wat mensen lekker vinden ruiken, is voor een groot deel genetisch voorgeprogrammeerd. Pas geboren baby's walgen al van de geur van rotte eieren, maar zijn dol op zoete luchtjes. Toch is geur, net zoals smaak, afhankelijk van onze verwachtingen. Als we een vieze geur verwachten, ervaren we die daadwerkelijk als vies. Dat komt doordat het brein een blauwdruk vormt van een geur nog voordat we hem ruiken. Zo kunnen de hersenen een binnenkomende geur goed vergelijken. Als we moeten nagaan of de melk bedorven is, gaat dat beter als we weten hoe bedorven melk ruikt. Het brein maakt een blauwdruk van die geur en vergelijkt. Het werkt ook omgekeerd: geef een vies luchtje een lekkere naam, en de geurverwachting is meteen positiever en de geur minder vies. Onze hersenwerking verklaart ook waarom mensen hun eigen parfum - of hun eigen zweetlucht - niet meer ruiken. Onze hersenen gaan selectief om met omgevingsprikkels, omdat ze ze nu eenmaal niet allemaal kunnen verwerken. Ze kiezen er in dat geval voor om minder aandacht te geven aan prikkels die niet veranderen. Nose fatigue (neusmoeheid), zo noemt de parfumindustrie dat fenomeen.

Echte mannen hebben geen pijn

Proeven doen we met ons brein

© Getty Images/iStockphoto

Onze pijnervaring is al evenmin objectief. We komen ter wereld met pijnreceptoren die seintjes sturen naar het brein, maar de interpretatie van die seintjes hangt af van leerprocessen. Boksers kunnen in de boksring klap na klap incasseren zonder iets te voelen, maar het bij de tandarts toch uitschreeuwen van de pijn. Wie een bevalling met veel pijn associeert, ervaart ook meer pijn. Pijn is relatief, ook omdat het brein externe factoren inbrengt om de pijnsignalen in te schatten. Zo is bijvoorbeeld visuele informatie van belang. Het brein kijkt naar de bron van het leed en oordeelt op basis daarvan wat we horen te voelen. Is er geen wonde te bekennen, dan voelen we minder pijn. Proefpersonen die door een omgekeerde verrekijker naar hun gewonde hand keken, zeidena anzienlijk minder pijn te hebben. De wond leek kleiner, dus werd er minder pijn ervaren. Individuele verschillen in pijnbeleving hangen ook af van de neurochemische huishouding en het geslacht. Tijdens een pijnprikkel komt er een grote hoeveelheid dopamine vrij, een stofje dat een rol speelt bij de beoordeling en beleving van pijn. Die hoeveelheid verschilt per individu. Vrouwen hebben eerder pijn dan mannen, omdat zij meer pijnreceptoren hebben en het pijncentrum in hun hersenen scherper afgesteld staat. Testosteron, een hormoon waarmee mannen rijkelijker bedeeld zijn dan vrouwen, verhoogt dan weer de pijndrempel. Dat alles is niet voor niets. Mannen moeten pijn beter kunnen verdragen, want ze zijn agressiever. De kans dat ze gewond raken, is veel groter.

Warme vriendschap en koele relaties

Vrouwen hebben het ook sneller koud dan mannen, hoewel hun kerntemperatuur 0,4 graden hoger ligt. Boosdoener is hun hormoonhuishouding, maar sociale factoren kunnen ook een rol spelen. Vrouwen zijn socialer dan mannen, en van een gebrek aan sociale warmte daalt onze lichaamstemperatuur, zo hebben verschillende studies aangetoond. Eenzaamheid doet dan ook het verlangen naar iets warms toenemen. Ook in onze taal vinden we uitdrukkingen terug die een verband leggen tussen temperatuur en ons gevoel. Denk aan 'uit een warm nest komen' of 'iemand een warm hart toedragen'. Of aan 'iemand in de kou laten staan'. De relatie bestaat trouwens in twee richtingen. Sociale warmte of koelte beïnvloedt onze lichaamstemperatuur, maar temperatuur heeft ook een effect op ons gedrag. Als we iets warms vasthouden, vinden we onze gesprekspartner een stuk sympathieker dan wanneer we iets kouds omklemmen. Als we iets kouds drinken, gedragen we ons daarna egoïstischer dan wanneer we een warm drankje nuttigen. Onze zintuigen spelen onder één hoedje met onze hersenen, en hun subtiele samenspel heeft zeker nog niet al zijn geheimen prijsgegeven.

Tekst: Griet Vandermassen

Onze partners