90 jaar insulinebehandeling

13/11/13 om 17:06 - Bijgewerkt om 17:06

Exact 90 jaar geleden werd de Nobelprijs voor Geneeskunde toegekend aan de artsen die de eerste insulinebehandeling ontwikkelden. Professor Luc Van Gaal, Diensthoofd endocrinologie, diabetologie en metabole ziekten in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, belicht de hoogtepunten uit deze 90-jarige geschiedenis en het belang van insuline in de behandeling van zowel type 2, als type 1 diabetes.

Insuline is het hormoon dat wordt aangemaakt door de pancreas of alvleesklier en dat nodig is om suikers - een belangrijke energiebron van ons lichaam - in alle lichaamscellen binnen te laten dringen. Zonder voldoende insuline loopt het suikergehalte in het bloed op en gaat de persoon zich futloos voelen door gebrek aan energie. Bij type 1 diabetes wordt er door de pancreas geen insuline meer aangemaakt. Bij type 2 diabetes is er te weinig insuline en zijn de cellen bovendien ongevoelig geworden voor de aanwezige insuline.

"Voor type 1 diabetici betekende de ontwikkeling van de insulinebehandeling het verschil tussen leven en dood. Voor 1921 stierven patiënten zeer jong, want leven zonder insuline is onmogelijk", begint professor Van Gaal zijn betoog. "Aanvankelijk werd er gebruik gemaakt van, eerder onzuivere, dierlijke insuline, afkomstig van onder meer varkens en runderen. De onzuiverheden konden aanleiding geven tot afweerreacties in het bloed en huidreacties. Begin jaren 80 werd de eerste synthetische humane insuline op de markt gebracht. Die werd bekomen door menselijk DNA (erfelijk materiaal) in te brengen in de E. colibacteriën, waardoor die menselijke insuline gingen produceren. Tegenwoordig wordt nog enkel humane insuline gebruikt.

In de jaren 90 volgden de insuline-analogen. Die ontstaan door insuline via moleculaire manipulatie zodanig aan te passen (aminozuursamenstelling) dat deze sneller of juist trager werken na toediening."

Maatwerk

90 jaar insulinebehandeling

"Tegenwoordig weten we hoe belangrijk het is om een diabetesbehandeling te individualiseren", legt professor Van Gaal uit. "Daartoe beschikken we nu over een volledig gamma van behandelingsmogelijkheden zowel voor type 1, als voor type 2 diabetes. Bij type 1 diabetes kunnen we door een combinatie van verschillende soorten insuline (ultrasnelwerkende, snelwerkende, normaal werkende en langwerkende) de normale insulinesecretie van de pancreas nabootsen, die erop gericht is een stabiele bloedsuikerspiegel (of glycemie) te bekomen.

Bij type 2 diabetes wordt gestart met voedings- en bewegingsadvies, aangevuld met een behandeling met orale tabletten. Op de duur is deze medicatie echter vaak niet meer voldoende doeltreffend om de bloedsuikerspiegel op een aanvaardbaar peil te houden en moet een behandeling met insuline worden gestart. Daartegen bestaat echter vaak nog heel wat weerstand, omdat veel mensen bang zijn van een injectie en vrezen voor nevenwerkingen zoals hypoglycemie en gewichtstoename. Hierdoor wordt soms te laat met deze insulinebehandeling gestart, op een moment dat de te hoge bloedsuikerspiegel reeds de kans heeft gekregen om blijvende schade aan te richten.

De vrees voor de prik is echter al lang niet meer nodig, want ook de toedieningsvormen voor insuline hebben een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Tegenwoordig gebeurt dit meestal met een injectiepen met ultrafijne naaldjes, waardoor de patiënt nog nauwelijks iets voelt van de inspuiting. Hetzelfde kan overigens gezegd worden voor het bepalen van de bloedsuikerspiegel. Ook de meetapparaatjes die daarvoor door de diabetici worden gebruikt, zijn bijzonder gebruiksvriendelijk geworden.

Het risico op hypoglycemie en gewichtstoename bestaat nog wel, maar is met de nieuwere insulines toch heel beperkt geworden. Er is dus eigenlijk geen gegronde reden om een insulinebehandeling onnodig uit te stellen. Of de stap naar een behandeling met insuline nodig is bij type 2 en wanneer, verschilt van persoon tot persoon. Vandaar het belang van een behandeling op maat voor elke diabeticus."

Onze partners